De 21-jarige Amerikaan Ilia Malinin stal de show op de Olympische Winterspelen in Italië met een achterwaartse salto, een sprong die decennialang verboden was. Hoewel het geen extra punten opleverde, ging zijn stunt viraal. Maar wat vinden kunstschaatsers zelf van de terugkeer van deze spectaculaire, maar risicovolle sprong?
De verboden sprong
De eerste backflip op Olympisch niveau werd uitgevoerd door Terry Kubicka tijdens de Spelen van 1976 in Innsbruck. Kort daarna verbood de Internationale Schaatsunie (ISU) de sprong vanwege de aanzienlijke veiligheidsrisico’s. Tegenwoordig vindt de ISU het onlogisch om de salto nog te verbieden, nu vierdubbele sprongen in het moderne kunstschaatsen steeds vaker voorkomen. Salto’s leveren echter geen punten op.
Het wauw-effect
“De salto is geen oefening in het kunstschaatsen die punten oplevert, maar is een spectaculaire creatieve aanvulling op je programma. Voor het publiek is het heel indrukwekkend, maar het is goed dat ze hiervoor geen punten krijgen, want een salto komt eigenlijk uit de gymnastiek en hoort niet echt in het schaatsen,” zegt de 22-jarige Soraya Verplanke. Zij schaatste twaalf jaar in binnen- en buitenland en coacht nu fulltime in de Gentse schaatsclub.
Veiligheid
De salto werd ooit afgeschaft door de veiligheid. Verplanke legt uit: “Als je een salto tijdens een wedstrijd plant, doe je dat altijd onder controle. Je voert zoiets niet uit als je het niet kan of als er risico’s zijn. Op zo’n evenement word je begeleid door een medisch team en coaches, en je oefent zulke elementen eerst anaast het ijs voordat je ze op het ijs probeert.” Volgens haar brengt een vierdubbele sprong rond de verticale as ongeveer evenveel risico met zich mee als een achterwaartse salto.
Of de salto in de toekomst vaker in kunstschaatswedstrijden zal verschijnen, blijft afwachten. Voor nu blijft het vooral een spectaculair element dat het publiek versteld doet staan.
